| Aan wiel hangen: |
Ander het werk laten doen. |
| Afhaken: |
Je kunt/wilt het tempo niet vol houden. |
| Demarreren: |
Weggaan (van de groep weg rijden) |
| Dieselen: |
Snel achter elkaar kop overnemen. |
| Gat laten vallen 1: |
Je kunt de ander niet meer bijhouden. |
| Gat laten vallen 2: |
Je wilt de ander niet meer bijhouden om hem te helpen om weg te komen, de fietsers achter je moeten jou dan voorbij om het gat op te vullen. |
| Kapot zitten: |
Absoluut geen kracht meer hebben. |
| Kettinglijn: |
Kettingstand tussen voor en achtertandwielen. |
| Laten zakken: |
Bewust anderen voorbij laten gaan. |
| Man met de hamer tegenkomen: |
Idem als kapot zitten. |
| Onder in de beugels: |
Handen onder in de stuurbocht. |
| Op het randje zetten: |
Zo fietsen dat degene achter je niet van windvoordeel kan profiteren. |
| Op kop fietsen: |
De eerste 1-2 plaatsen, kost veel kracht. |
| Plakken |
Achter iemand fietsen, zelf geen werk willen doen.(negatief) |
| Uit de wind fietsen: |
Achter iemand fietsen (vangt de wind op) |
| Uit de wind houden: |
Bewust voor een ander de wind opvangen. |
| Verzet |
Verhouding tussen voor en achtertandwielen. |
| Wiel opzoeken |
Achter een "sterke" fietser gaan rijden. |
| Waaier rijden |
Met meerderen schuin achter elkaar, waar bij steeds afwisselend het kopwerk wordt gedaan om het tempo hoog te houden. |